zondag 3 februari 2013

Het probleem van "te groot"

Zou grootte, en dan in het bijzonder "overdreven" grootte, oorzaak kunnen zijn van een veelheid aan maatschappelijke problemen? Is er een identificeerbaar omslagmoment waarop schaalvoordelen plaats maken voor schaalnadelen? Of, nog bouder, leidt ieder schaalvoordeel misschien automatisch tot een daaraan verbonden schaalnadeel, dat evenwel minder zichtbaar is en zich ophoudt in de luwte tot het vanzelf, door aangehouden verwaarlozing en verdringing, in ons gezicht springt? De laatste maanden houden deze vragen me steeds vaker bezig. Hoe was het bijvoorbeeld mogelijk dat banken met een blik die blind gericht was op efficientiewinsten finaal een dusdanige "inefficientie" baarden dat iedere individuele belastingbetaler de rug moest rechten om deze te ondervangen?

En wat is de rol van "grootte" in de concentratie van rijkdom bij de zogenaamde "one percent" van de bevolking? In een wereld van perfecte informatie en perfecte concurrentie leidt de vrije markt als vanzelf tot een economisch evenwicht. De economische theorie spreekt zich evenwel niet uit over de relatieve verdeling van rijkdom in dat bereikte evenwicht. De situatie waarin A 90% van de taart bezit en B 10% is in het economische basismodel perfect gelijkwaardig aan de situatie waarin A en B elk de helft van de taart bezitten. Dit is bovendien theorie. Perfecte informatie is een illusie en intuitief wordt aangevoeld dat de situatie waarin A de grootste hap uit de taart neemt een grotere kans in zich draagt om concurrentieverstorend te zijn.

De teloorgang van de buurtwinkel is me steeds bijgebleven. In mijn beleving stond de buurtwinkel voor een persoonlijke bediening en kwaliteitsvolle producten. En was dit niet zo dan werd de eigenaar van de buurtwinkel daarop persoonlijk aangesproken. Had je slechts 1 schel hesp nodig dan werd daar keurig voor gezorgd. Niemand was "verplicht" meer te kopen dan hij redelijkerwijze op kon. Vervolgens landde de "grotere speler" in het dorp, die vanwege het spel van vraag en aanbod lagere prijzen kon bedingen bij zijn leveranciers en bereid was het voordeel daarvan te delen met zijn klanten. Bij de buurtwinkel gebeurde net het omgekeerde: klanten bleven weg, de buurtwinkel nam minder af van zijn leveranciers aan relatief hogere prijzen en zag zijn marge stelselmatig dalen. De "grotere speler" daarentegen nam nog meer af aan relatief lagere prijzen en kon daarbij zelfs zijn voordeel doen door zijn schellen hesp te bundelen en aldus bijkomend te verdienen aan de verspilling van zijn klanten. In het dorp eet iedereen goedkoper, de buurtwinkel sluit zijn deuren en diens eigenaar geeft zijn zelfbeschikking deels op door in dienstverband te gaan werken bij een "grotere speler". De arbeidsvoorwaarden van de voormalige eigenaar van de buurtwinkel worden ingeschreven in dezelfde logica van vraag en aanbod die kenmerkend is voor diens voormalige producten. Idem vangen diverse "grotere spelers" elkaar vervolgens vliegen af tot een "nog grotere speler" zich op de markt begeeft. Dorpelingen eten goedkoper, gooien ook wat meer weg en geven gaandeweg hun zelfbeschikking uit handen door zich in te schrijven in hetzelfde economische raderwerk dat vervolgens druk zet op hun lonen. De marge die vroeger verspreid zat onder de eigenaars van de buurtwinkels zit nu geconcentreerd in handen van de eigenaars van de "grotere spelers". En mocht iemand alsnog willen de markt te betreden met een nieuwe buurtwinkel, zal de kans daartoe simpelweg onbestaande zijn vanwege de te hoge instapkost. Er zijn schaalvoordelen gerealiseerd. Maar zijn er ook schaalnadelen? Hoe groot kunnen die "grotere spelers" worden? Moet er een rem staan op hun "grootte" om eerlijke concurrentie te vrijwaren? Worden in anti-kartelregels daadwerkelijk de juiste "grootte" criteria gehanteerd of moeten deze net aanzienlijk strenger worden om iedereen de kans te geven op een deel van de koek? Is het daadwerkelijk wenselijk dat bedrijvengroepen winsten realiseren die vele malen groter zijn dan de BNPs van de landen waarin ze opereren? En indien mensen net vanwege diezelfde werking van de markt onvoldoende de kans wordt geboden hun deel van de koek te verdienen, is (een redelijke) herverdeling dan geen morele plicht? En hoe moet onze fiscaliteit hier dan idealiter worden ingepast?

***

Dit alles lijkt me op z'n minst een maatschappelijke discussie waard. Het internet biedt alvast interessante lectuur op dit vlak en verwijst naar historische "denkers" zoals de Oostenrijkse economieprofessor Leopold Kohr en voormalig rechter bij het Amerikaanse Hooggerechtshof Louis Brandeis:

http://www.ditext.com/kohr/kohr.html
http://www.guardian.co.uk/commentisfree/2011/sep/25/crisis-bigness-leopold-kohr
http://blogs.reuters.com/macroscope/2012/07/17/our-financial-oligarchy-louis-brandeis-slams-too-big-to-fail-in-1913/

Geen opmerkingen:

Een reactie posten